Henoch (Het Ethiopische Boek)

Het boek der wachters


6.1 En het gebeurde, toen de zonen der mensen [in aantal] waren tocgenomen. dat hun in die dagen aantrekkelijke en schone dochters werden geboren.

 

6.2 En de engelen, de zonen des hemel, zagen ze en begeerden ze. En ze zeiden legen elkaar: "Kom, laten we ons vrouwen kiezen uit de kinderen der mensen, en laten we voor onszelf kinderen verwekken.”

 

6.3 En Sjemichaza, die hun aanvoerder was, zei tot hen: “lk vrees dat jullie deze daad misschien niet zult willen doen, en (dat) ik alleen voor deze grote zonde zal boelen.”

 

6.4 En zij antwoordden in koor en zeiden: "Laat ons te zamen een eed zweren en elkaar op straffe van een vloek [over ons te halen] verplichten dit plan met te veranderen, maar dit plan metterdaad uit te voeren.”

 

6.5 Toen zwoeren ze te zamen en allen verbonden zich tegenover elkaar op straffe van vervloeking.

 

6.6 En zij waren in totaal tweehonderd, en ze daalden neer op Ardis, dat is de top van de berg Hermon. En zij noemden de berg Hermon, orndat ze daar een eed zwoeren en elkaar met een banvloek bonden.

 

6.7 En deze (zijn) de narnen van hun aanvoerdcn,: Sjemichaza. die hun leider was, Oerakiba, Ramiël, Kochabiël, Tamiël, Ramiël, Daniël, Ezechiël, Barakiël, Asaël, Armaros, Batriël, Ananel, Zakiël, Samsiël, Sartaël, ..., Turiël, Jomiël, Araziël.

 

6.8 Deze zijn de aanvoerders van de tweehonderd engelen, en van alle anderen met hen.

 

7.1 En ze namen zich vrouwen, en ieder koos er een voor zichzelf. En ze begonnen tot hen in te gaan en vermengden zich met hen. En ze leerden hun magische formules en toverijen, en toonden hun het snijden van wortels en bomen.

 

7.2 En ze werden zwanger en baarden grote reuzen, en hun hoogte (was) drieduizend el.

 

7.3 Deze verslonden al de inspanningen van de mensen, totdat de mensen niet langer in staat waren hen te onderhouden.

 

7.4 En de reuzen keerden zich tegen hen om de mensen te verslinden.

 

7.5 En ze begonnen te zondigen tegen vogels, en tegen dieren, en tegen kruipend gedierte en tegen vissen, en ze verslonden elkaars vlees en dronken het bloed hieruit.

 

7.6 Toen beklaagde de aarde zich over de wettelozen.

 

8.l En Azazel leerde de mensen zwaarden te maken, en dolken, en schilden en borstplaten. En hij toonde ze nog andere dingen, en de kunst hoe ze te maken: armbanden en versierselen, en de kunst de ogen op te maken en de oogleden te verfraaien, en de kostbaarste en zeldzaamste edelstenen, en allerlei soorten vertslof'fen. En de wereld was veranderd.

 

8.2 En er was grote goddeloosheid en ontucht alom, en ze raakten op dwaalwegen, en al hun wegen raakten verdorven.

 

8.3 Amezarak onderrichtte al diegenen die toverijen bedreven en wortels sneden, Armaros de bevrijding van toverijen, en Barakiël [onderwees] astrologen, en Kochabiël voortekenen, en Tamiël onderwees astrologie, en Asradel onderwees de loop van de maan.

 

8.4 En ze hieven een geschrei aan over deze slachting van de mensen, en hun stem bereikte de hemel.

 

9.1 Toen keken Michaël, Gabriël, Suriël en Oeriël uit de hemel ornlaag en zagen de grote hoeveelheid bloed die op de aarde werd vergoten, en alle ongerechtigheid die op de aarde werd bedreven.

 

9.2 En ze zeiden tegen elkaar: “Laat de verwoeste aarde van het geluid van hun geschrei weerklinken tot aan de hemelpoort.”

 

9.3 En nu, O heiligen in de hemel, klagen de zielen van de mensen tot jullie en zeggen: "Breng ons geding voor de Allerhoogste".

 

9.4 En ze zeiden tot hun Heer, de Koning: Heer der Heren. God der Goden, Koning der Koningen! Uw glorierijke troon blijft gedurende alle geslachten van de wereld, en uw naam (is) heilig en geloofd gedurende alle geslachten van de wereld, en gezegend en geloofd!

 

9.5 U heeft alle dingen gemaakt en u heeft macht over alle dingen. En alle dingen zijn onthuld en open voor u, en u ziet alles, en er is niets wat voor u verborgen kan worden.

 

9.6 Zie dan wat Azazel heeft gedaan, hoe hij op aarde alle ongerechligheid heeft geleerd en de eeuwige geheimen heeft geopenbaard die in de hemel werden gemaakt.

 

9.7 En Sjemichaza heeft toverijen onthuld, (hij) die door u gemachtigd werd te heersen over degenen die bij hem zijn.

 

9.8 En ze zijn te zamen tot de dochters der mensen ingegaan, en ze hebben gemeenschap gehad met die vrouwen, waardoor ze onrein zijn geworden en hun deze zonden hebben geopenbaard.

 

9.9 En de vrouwen hebben reuzen gebaard, waardoor nu de gehele aarde van bloed en ongerechligheid is vervuld.

 

9.10 En zie nu hoe de zielen van hen die gestorven zijn roepen en aan de hemelpoort klagen, en hun weeklacht is opgestegen, en zij kunnen niet uitgaan vanwege de ongerechtigheid die op de aarde wordt bedreven.

 

9.11 En u is alles bekend voor het gebeurt, en u weet dit en wat elk van hen betreft. Maar u zegt niets tegen ons. Wat moeten wij doen om hen te helpen?'

 

10.1 Toen sprak de Allerhoogste, de Grote en de Heilige en zond Arsialalioer naar de zoon van Lamech, en zei tegen hem:

 

10.2 Zeg tegen hem in mijn naam "Verberg je", en onthul hem het einde dat komt, want de gehele aarde zal vernietigd worden, en de tijd is nabij dat er een watervloed over de gehele aarde zal komen, en alles wat zich daarop bevindt zal vernietigd worden.

 

10.3 Nu dan, onderricht hem zodat hij kan ontsnappen en zijn nakomelingen zullen overleven voor de gehele aarde.

 

10.4 En de Heer vervolgde en zei tegen Rafaël: “Bind Azazel aan handen en voeten en werp hem in de duistemis. En splijt de [berg]woestijn van Doedaël, en werp hem daarin.

 

10.5 En werp puntige en scherpe stenen bovenop hem, en bedek hem met duistemis; en zorg dat hij daar eeuwig blijft, en bedek zijn gezicht, zodat hij geen licht meer kan zien

 

10.6 en op de grote oordeelsdag in het vuur kan worden geworpen.

 

10.7 En vernieuw de aarde die de engelen te gronde hebben gericht, en kondig aan dat de aarde vernieuwd zal worden, want ik zal de aarde vernieuwen, zodat niet alle zonen der mensen zullen ondergaan door het geheirn van alles wat de wachters openbaarden en aan hun zonen leerden.

 

10.8 De aarde is geheel te gronde gericht door de leer van de werken van Azazel, en op zijn naarn moeten alle zonden worden geschreven."

 

10.9 En de Heer zei tegen Gabriël: “Treed op tegen de bastaarden en de verworpelingen en tegen de zonen van de ontuchtigen, en verdelg de zonen van de ontuchtigen en de zonen van de wachters onder de mensen. En stuur ze uit, stuur ze tegen elkaar, en laat ze zichzelf verdelgen in de strijd, want hun dagen op aarde zijn geteld.

 

10.10 En zij allen zullen je smeken. maar hun vaders zullen niets voor hen bereiken, want zij hopen op het eeuwige leven, en dat ieder van hen vijfhonderd jaar zal blijven leven.

 

10.1 I En de Heer zei tegen Michael:'Ga, stel Sjemichaza op de hoogte en de anderen bij hem die zich met de vrouwen hebben afgegeven om zich met hen te besmetten in al hun onreinheid.

 

10.12 Wanneer al hun kinderen elkaar zullen doden, en ze de verdelging van hun geliefden zullen aanschouwen, bind ze [dan] gedurende zeventig geslachten onder de heuvels van de aarde tot aan de dag van hun oordeel en hun voleinding, totdat het oordeel dat tot in eeuwigheid geldt zal zijn voltrokken.

 

10.13 En in die dagen zullen ze hen naar de vurige afgrond brengen: onder kwellingen en in gevangenschap zullen ze tot in eeuwigheid opgesloten worden.

 

10.14 En dan zal hij (Sjemichaza) verbrand worden en vanaf dat ogenblik met hen vernietigd worden: te zamen zullen ze gebonden worden tot aan het einde van alle geslachten.

 

10.15 En verdelg alle zielen die uit lust [werden geboren], en de zonen van de wachters, want zij hebben de mensen onrecht aangedaan.

 

10.16 Verdelg alle onrecht van de aarbodem, en elk kwaad werk zal ophouden te bestaan. En laat de plant der gerechtigheid en der waarheid opkomen, en de daad zal tot zegen strekken: gerechtigheid en waarheid zullen ze in vreugde planten tot in eeuwigheid.

 

10.17 En [van nu af aan] zullen alle rechtvaardigen nederig zijn, en [ze] zullen leven tot ze duizenden hebben verwekt, en alle dagen van hun jeugd en hun rustdagen zullen ze in vrede voleindigen.

 

10.18 En in die dagen zal de gehele aarde in gerechtligheid worden bewerkt, en ze zal geheel met bomen beplant zijn. en ze zal van zegen vervuld zijn.

 

10.19 En ze zullen er allerlei aangenaam geboomte planten, en ze zullen er wijnstokken planten, en de wijnstok die er geplant wordt zal overvloedig vrucht dragen: en ieder zaadje dat erin gezaaid wordt, iedere maat zal dnizendvoudig opbrengen, en iedere maat olijven zal tien kuipen olie opbrengen.

 

10.20 En jullie reinigt de aarde van alle onrecht, en van alle ongerechigheid en van alle zonde en van alle goddeloosheid en van alles onreinheid, die op de aarde wordt gepleegd; verwijder ze van de aarde.

 

10.21 En alle zonen der mensen zullen rechtvaardig zijn en alle volkeren zullen mij dienen en loven en alle zullen mij aanbidden.

 

10.22 En de aarde zal gereinigd zijn van alle verdorvenheid en van alle zonde en van alle loom en van alle kwellingen, en ik zal niet weer een walervloed daarover zenden, gedurende geslachten voor allijd.

 

11.1 En in die dagen zal ik de bergplaatsen van de zegen die in de hemel (zijn) openen om ze over de aarde uit te storten, over het werk en over de inspanning van de zonen der mensen.

 

11.2 Vrede en waarheid zullen verenigd zijn gedurende alle dagen en alle geslachten tot in eeuwigheid.

 

12.1 En voor [dit] alles was Henoch verborgen en geen van de zonen der mensen wist waar hij verborgen was, of waar hij zich bevond, of wat er was gebeurd.

 

12.2 En al zijn handelingen (vonden) in zijn dagen met de heiligen en de wachlers (plaats).

 

12.3 En ik, Henoch, was bezig de Verheven Heer en de Koning der Eeuwigheid te loven, en toen riepen de wachters mij, Henoch de schrijver, en zeiden tegen mij:

 

12.4 “Henoch, schrijver der gerechtigheid, ga, en zeg tot de hemelse wachters die de hoge hemel en de heilige eeuwige plaats hebben verlaten en zich met de vrouwen hebben bezoedeld en hebben gedaan gelijk de zonen der mensen doen en zich vrouwen hebben genomen en geheel verdorven zijn geworden op de aarde:

 

12.5 Zij zullen op aarde geen vrede hebben, noch zullen hun zonden vergeven worden,

 

12.6 want zij zullen geen vreugde van hun zonen smaken. De slachting van hun geliefden zullen ze aanschouwen en over de verdelging van hun zonen zullen zij eeuwig [blijven] klagen en smeken. Maar zij zullen geen genade of vrede hebben.”

 

13.1 En Henoch ging heen en zei tegen Azazel: “Jij zult geen vrede hebben. Er is een streng vonnis over je geveld dat je gebonden zult worden.

 

13.2 En je zult rust nog genade krijgen, noch zullen je smeekbeden verhoord worden, vanwege de dwalingen die je hebt onderricht, en vanwege je godslasterlijke daden en het onrecht en de zonde die je de zonen der mensen hebt getoond.”

 

13.3 Toen ging ik heen en sprak tot hen allen te zamen, en ze waren allen bevreesd: en angst en beven grepen hen aan.

 

13.4 En ze verzochten mij de tekst te willen opstellen van een verzoek om vergiffenis, en de tekst van hun verzoek aan de Heer in de hemel te willen voorleggen.

 

13.5 Want zij (zelf) waren van dat moment af niet meer in staat te spreken, en ze sloegen hun ogen niet naar de hemel op uit schaamte over de zonden waarvoor ze veroordeeld waren.

 

13.6 En toen schreef ik de tekst van hun verzoek en hun smeekschrift met betrekking tot hun zielen en de daden van ieder van hen, en met hetrekking tot wat ze vroegen, (narnelijk) dat hen vergiffenis en verdraagzaamheid zou worden geschonken.

 

13.7 En ik ging heen en zette mij aan de wateren van de Dan in [het gebied van] Dan ten zuidwesten van de Hermon: en ik herlas de tekst van hun verzoek toldat ik in slaap viel.

 

13.8 En ik droornde, en zie, visioenen kwamen over mij, en ik zag een visioen van toorn, (narnelijk) dat ik tegen de zonen van de hemel moest spreken om hen terecht te wijzen.

 

13.9 En ik ontwaakte en ging naar ze toe, en ze zaten allen te zamen en rouwden in Oebelsejaël, dat tussen Libanon en [de] Senir gelegen is, en [ze hielden] hun gezichten bedekt.

 

13.10 En ik vertelde hun alle visioenen die ik in mijn slaap had gezien, en ik begon de volgende woorden van gerechtigheid te spreken en de wachters van de hemel terecht te wijzen.

 

14.1 Dit boek (is) het woord van gerechtigheid en van [de] terechtwijzing van de wachters die van de eeuwigheid (zijn), zoals door de Heilige en Verhevene in dat visioen bevolen werd.

 

14.2 In mijn slaap zag ik hetgeen ik nu zal vertetlen met de tong van vlees en met mijn adem die de Verhevene de mens in de mond heeft gegeven. om ermee te spreken en met het hart te verstaan.

 

14.3 Zoals hij mensen heel't geschapen en aangewezen om het woord der kennis te verslaan, zo heeft hij mij geschapen en aangewezen om de wachters, de zonen van de hemel, terecht te wijzen.

 

14.4 En ik schreef jullie verzoek op, maar in mijn visioen bleek dat jullie verzoek niet zal worden (ingewilligd) tot aan het einde der dagen: en een onherroepelijk vonnis (is) over jullie geveld, en jullie zult geen vrede hebben.

 

14.5 En van nu af aan tot in eeuwigheid zullen jullie niet naar de hemel opstijgen, en het is beschikt dat jullie onder de aarde gebonden zult worden tot aan het einde der dagen.

 

14.6 En voor dit [gebeurt] zullen jullie de vernietiging van jullie geliefde zonen hebben meegemaakt en jullie zult geen vreugde van hen hebben, want voor jullie [ogen] zullen ze door het zwaard vallen.

 

14.7 En jullie verzoek voor hen, zal niet worden (ingewilligd) noch dat voor jullie zelf. En terwijl jullie wenen en smeken, spreken jullie geen woord van het geschrift dat ik geschreven heb.

 

14.8 En het visioen verscheen aan rnij als volgt: Zie, wolken riepen mij in het visioen, en nevel riep mij, en de baan van de sterren en bliksemstralen joegen mij op en dreven mij voort, en in het visioen kwamen winden die mij deden vliegen en mij voortdreven en ophieven tot in de hemel.

 

14.9 En ik vervolgde rnijn weg tot ik aan een muur kwam die gebouwd was van hagelstenen, en een vuurtong omringde hem, en hij hegon mij angst in te boezemen.

 

14.10 En ik ging de vuurtong binnen en kwam aan een groot huis dat gebouwd was van hagelstenen, en de muren van dat huis leken op een mozaiek van hagelstenen, en de vloer ervan (was) sneeuw.

 

14.11 Zijn dak leek op de baan van de sterren en [op] bliksemslralen, en daartussen (waren) vurige cherubiem, en hun hemel (was als) water.

 

14.12 En er brandde een vuur rondom zijn muur, en zijn deur was een laaiend vuur.

 

14.13 En ik ging dat huis binnen, en (het was) heel als vuur en koud als sneeuw, en daarbinnen was vreugde noch leven. Ik werd door vrees bevangen en ik begon te beven.

 

14.14 En al trillend en bevend viel ik op mijn aangezicht. En ik zag in het visioen.