Henoch
(Het Ethiopische Boek)
1.1 De woorden van de zegen van Henoch, waarmee
hij de uitverkorenen en rechtvaardigen zegende die aanwezig moeten zijn op de
dag van benauwdheid (die is voorbeschikt), wanneer alle zondaars en goddelozen
verwijderd zullen worden.
1.2 En Henoch antwoordde en zei: (er was) een
rechtvaardige man wiens ogen geopend werden door de Heer, en hij zag een heilig
visioen in de hemel, dat de engelen mij toonden. En ik hoorde alles van hen, en
ik begreep wat ik zag, maar niet voor dit geslacht. maar voor een ver geslacht
dat zal komen.
1.3 Over de uitverkorenen sprak ik, en ik vertelde
een gelijkenis over hen: De Heilige en Verhevene zal uit zijn woning komen.
1.4 En de Eeuwige God zal vandaar de Berg Sinaï
betreden, en hij zal [er] verschijnen met zijn schare, en hij zal verschijnen
in de kracht van zijn hemelse macht.
1.5 En allen zullen bevreesd zijn, en de wachters
zullen beven, en angst en een grote siddering zal hen aangrijpen tot aan de
uiteinden der aarde.
1.6 En de hoge bergen zullen wankelen, en de hoge
heuvels instorten en smelten als was voor een vlam.
1.7 En de aarde zal verzinken. En alles wat zich
op de aarde bevindt zal vernietigd worden, en allen zullen geoordeeld worden,
zo ook alle rechtvaardigen.
l.8 Maar de rechtvaardigen zal hij vrede geven, en
hij zal de uitverkorenen bewaren en hun genadig zijn. Zij allen zullen van God
zijn, en [ze] zullen welvaren en gezegend zijn, en Gods licht zal over hen schijnen.
1.9 En zie: Hij komt met tienduizend heiligen om
hen te richten, en de ongelovigen te vernietigen, en zich te meten met alle vlees
over alles wat de zondaars en ongelovigen tegen hem uitgevoerd en misdaan
hebben.
2.1 Aanschouw wat er niet al in de hemel gebeurt,
hoe de lichten aan het uitspansel niet van baan veranderen, hoe de een opkomt
en de ander ondergaat, elk op zijn gestelde tijd, en zij hun wetten niet
overtreden.
2.2 Overweeg de aarde, en begrijp uit al het werk
dat er vanaf hel begin tot aan het einde aan gedaan is, dat al Gods werken
onveranderlijk zijn zodra ze zichtbaar worden.
2.3 Overweeg de zomer en de winter, hoe de gehele
aarde vol water is, en wolken en dauw en regen erop rusten.
3 Aanschouw en zie hoe alle bomen verdord schijnen,
(hoe) al hun bladeren zijn afgevallen, behalve [van] veertien bomen die niet
kaal zijn, maar het oude (loof) behouden totdat na twee of drie jaar het nieuwe
verschijnt.
4 En aanschouw nogmaals de zomerdagen, hoe aan het
begin de zon erboven (de aarde) staat. Jullie zoekt beschutting en schaduw
vanwege de zonnehitte, en de aarde is brandend heet, en je kunt niet op de
aarde lopen, of over een steen, vanwege zijn hitte.
5.1 Aanschouw hoe de bomen met groene bladeren
bedekt zijn, en vruchten dragen. En aangaande alles, en bemerk hoe Hij die
eeuwig leeft, al deze dingen voor jullie gemaakt heeft;
5.2 en (hoe) zijn werken jaar na jaar voor hem (staan),
en al zijn werken hem dienen en niet veranderen, maar dat alles gebeurt zoals
God het heeft beschikt
5.3 En overweeg hoe de zeeën en rivieren te zamen
hun taken volbrengen.
5.4 Maar jullie hebt niet doorgezet en je niet aan
Gods wet gehouden. Maar jullie hebt gezondigd, en met je onreine mond
hoovaardige en harde woorden tegen zijn majesteit gesproken. Jullie verstokten!
Jullie zult geen vrede hebben!
5.5 En hierom zullen jullie je dagen vervloeken,
en je levensjaren zullen juliie verderven. En de eeuwige vloek zal eeuwig toenemen,
jullie zullen geen genade ontvangen.
5.6 In die dagen zal jullie naam voor alle
rechtvaardigen tot een eeuwige vloek worden, en ze zullen jullie zondaars voor
eeuwig vervloeken – jullie en de zondaars.
5.7 Voor de uitverkorenen zal er licht zijn en
vreugde en vrede, en zij zullen de aarde beërven. Maar voor jullie, goddelozen,
zal er een vioek zijn.
5.8 Wanneer de uitverkorenen wijsheid ontvangen,
zullen ze allen leven, en [ze] zullen geen onrecht meer begaan uit
onoplettendheid of uit hoogmoed. Maar zij die de wijsheid bezitten zullen
nederig zijn.
5.9 Ze zullen geen onrecht meer begaan, en ze
zullen niet geoordeeld worden al hun levensdagen, en ze zullen niet sterven
door (de goddelijke) gramschap of toorn. Maar ze zullen het getal van hun
levensdagen vol maken en hun leven zal steeds meer vrede kennen, en de jaren
van hun vreugde zullen toenernen in blijdschap en in eeuwige vrede al hun
levensdagen.